Nederlandse kennisinstellingen en innovatieve bedrijven ontvingen sinds 2021 meer dan 5 miljard euro subsidie uit het Europese onderzoeks- en innovatieprogramma Horizon Europe. In deze serie belichten we drie onderzoeksprojecten die laten zien wat er mogelijk is wanneer de beste wetenschappers via Horizon Europe hun krachten bundelen. Eén van hen is Pierre Chopin, die samen met andere onderzoekers het programma FoodCityBoost opzette en onderzoek doet naar stadslandbouw.
Tekst: Cato Montijn
Kunnen we onze stedelijke ruimten slim gebruiken, om onze voedselproductie te versterken? En welke effecten zou dat hebben op onze economie en leefomgeving? Deze vragen staan centraal in het project FoodCityBoost, een samenwerking tussen twintig verschillende partners in zes Europese landen.
Pierre Chopin is assistent-professor bij het instituut voor Milieuvraagstukken aan de Vrije Universiteit (VU). Hij is één van de initiatiefnemers van FoodCityBoost, waarin stadslandbouw in verschillende omgevingen wordt onderzocht. Het doel? Goed beleid ontwikkelen dat bijdraagt aan leefbare steden.
Beeld: © Ministerie van OCW
Pierre Chopin
Waar gaat het project FoodCityBoost over?
Pierre: “FoodCityBoost gaat over stedelijke agrocultuur, of stadslandbouw. Dat komt neer op het verbouwen van voedsel in steden en aan de randen van steden. Vaak gaat het om voedsel voor consumptie, dat bijvoorbeeld kleinschalig wordt verbouwd op daken van gebouwen.
Maar stadslandbouw dient ook andere doeleinden, zoals educatie. Denk aan de schooltuintjes waar kinderen leren hoe voedsel groeit. Of aan een kinderboerderij waar ze met dieren leren omgaan. Het kan ook een sociale functie hebben. In community gardens of volkstuintjes bijvoorbeeld, waar mensen samen een stukje land delen om groenten, fruit of kruiden te verbouwen.
Dat zijn allemaal varianten van stadslandbouw of stedelijke agrocultuur. Het varieert dus erg; ik zou alle verschillende vormen niet eens kunnen opnoemen. Het idee van FoodCityBoost is de impact te onderzoeken van al die verschillende vormen van stedelijke agrocultuur. De economische impact, de sociale impact en de impact op het milieu.”
Hoe ziet jullie onderzoek eruit?
“Het idee is dat we de impact van stadslandbouw willen kwantificeren, zodat onze resultaten kunnen worden gebruikt voor het maken van beleid. Stedelijke agrocultuur draagt bij aan leefbare steden, denken we. Maar er is maar weinig kwantitatief bewijs dat het ook écht goed is.
We onderzoeken daarom wat er al gebeurt op het gebied van stadslandbouw, en maken daar eerst een kwalitatief overzicht van. Daarna gaan we de economische, sociale en klimaatimpact meten, zodat we aan die data kunnen aflezen wat de impact precies is.
Een ander deel van het project richt zich op beleid. We brengen in kaart welk bestaand beleid van de Europese Unie en in verschillende Europese landen de ontwikkeling van stadslandbouw tegengaat of juist stimuleert. Daarna ontwikkelen we een scenario waarin we beleid uitdenken dat goede vormen van stedelijke agrocultuur stimuleert.”
Hoe gaan jullie te werk?
“We werken in zogenaamde Living Labs, op zes verschillende locaties in Europa; in Polen, Bulgarije, Letland, Nederland, België en Spanje. In elk Living Lab is een lokale partner, bijvoorbeeld een NGO, én een universiteit bij het project betrokken.
We hebben voor deze regio’s gekozen, omdat hier al vormen van stadslandbouw plaatsvonden. We zijn dus aangesloten bij bestaande projecten. De initiatieven en ervaringen uit die landen bestuderen we om te onderzoeken welke impact stadslandbouw daar maakt.
We kunnen niet álle situaties en vormen van stadslandbouw in beeld brengen, daarvoor zijn er simpelweg te veel mogelijkheden. Door middel van deze opzet kunnen we toch zoveel mogelijk verschillende initiatieven en contexten onderzoeken.”
Beeld: © Pierre Chopin
Design workshop voor FoodCityBoost in Almere
Horizon Europe stimuleert Europese samenwerking, hoe krijgt dat bij jullie vorm?
“We werken samen met twintig partners, van Spanje tot Letland. Horizon dwingt ons tot die samenwerking met verschillende mensen en landen. Daar ben ik groot voorstander van; het is een mooie manier om breed Europees onderzoek te doen. De resultaten kunnen we gebruiken om echt Europees beleid te maken en zo te werken aan een Europese cultuur en samenleving.
Ik vind het interessant om samen te werken met mensen die ik nog nooit heb ontmoet. Voor het onderzoek is het ook goed. Europees beleid maken is vaak paradoxaal: je wil beleid ontwikkelen dat overal werkt, maar dat ook de specifieke omstandigheden van verschillende landen in acht neemt. Dat is mooi aan dit project: we onderzoeken algemene aspecten, maar binnen lokale contexten.”
Hoe heeft Horizon Europe verder bijgedragen aan dit project?
“Ik zal er niet omheen draaien: zonder Horizon had dit project niet bestaan. Horizon financiert 5 miljoen euro. Het is dus een belangrijk fonds voor ons project. Voor ons is dat onmisbaar, ook omdat nationale fondsen veel moeilijker te krijgen zijn, zeker voor geografisch onderzoek.
Het is ook fijn dat via Horizon een projectbegeleider en een beleidscoördinator met ons meedenken. De projectbegeleider kent veel mensen en brengt ons in contact met andere relevante projecten. En de beleidscoördinator verbindt ons aan bestaande initiatieven op EU-niveau. Bijvoorbeeld de NEB, New European Bauhaus, dat zich inzet voor de ontwikkeling van meer omgevingskwaliteit, duurzaamheid en inclusiviteit in steden. Door al die connecties die we via Horizon leggen, proberen we meer impact te maken.”
Welke impact hoop je te maken met FoodCityBoost?
“Volgens mij kan stadslandbouw veel voordelen bieden. We kunnen er geen hele steden mee voeden, maar het draagt wel bij aan de productie van specifieke soorten voedsel. Het zal niet voor net zoveel verkoeling zorgen als een groot stadspark, maar het kan wel bijdragen aan een wat koeler flatgebouw. We hopen aan te tonen dat de positieve invloed van al die kleine effecten bij elkaar groot kan zijn.
Mijn collega’s en ik zijn echt gepassioneerd over dit onderzoek. Maar dat maakt ook dat we soms opereren op de grens van neutraliteit: we zijn soms wel heel hoopvol over de uitkomst die we het liefst willen zien. Daar wil ik licht op schijnen; de passie moet ons niet blind maken. We doen dus ons best om zo neutraal mogelijk te blijven. Alleen maar roepen dat iets geweldig is, maakt nog geen goed beleid. Beleidsmakers willen weten: wat levert het op?”
Wanneer is het project geslaagd?
“Eind 2027 moet het project zijn afgerond. Ik hoop natuurlijk dat we onderzoeksresultaten afleveren van hoge kwaliteit. En ik hoop dat we stadslandbouw op de kaart zetten; en vooral op de beleidsagenda van de Europese Unie. Misschien draagt ons onderzoek eraan bij dat stadslandbouw een vaster onderdeel is van het reguliere landbouwbeleid. Dat zou mooi zijn.
Ik hoop ook dat we aan het eind van dit project een beter beeld hebben van de mogelijkheden voor verschillende steden. Waar kunnen we stedelijke agrocultuur ontwikkelen, en hoe? Wat kan het samenlevingen brengen? Kortom: hoe kan jouw stad er in de toekomst uitzien?”
